De overheid stelt kaders

14-1-2015

We hebben in Nederland geen verplichtend nationaal curriculum, maar leraren zijn ook weer niet volledig vrij in het maken van eigen keuzes. De overheid hanteert, als het om de inhoud van het funderend onderwijs gaat, een gemengde vorm van aansturing: referentieniveaus en kerndoelen.

Kaders

Als het om de vakken Nederlandse taal en rekenen/wiskunde gaat zijn de kaders zeer strikt. Hier gelden referentieniveaus. Deze omschrijven niveaus die leerlingen op een bepaald moment in hun schoolloopbaan zouden moeten beheersen. De boodschap ten aanzien van deze vakken is duidelijk: hoge prestaties bij deze kernvakken bevorderen de onderwijskwaliteit, de vakken zijn bepalend voor succesvolle doorstroming naar het vervolgonderwijs en zij dragen bij aan de ambitie van Nederland om internationaal in de top vijf te staan. Een meer zakelijke, opbrengstgerichte benadering van het onderwijs doen de terughoudendheid in wet- en regelgeving ten aanzien van deze kernvakken steeds meer afnemen. Toch wordt de beheersing van de basisvaardigheden niet als doel op zich gezien, maar als een voorwaarde voor scholen om inhoud te kunnen geven aan hun opdracht om leerlingen in bredere zin te vormen.

Keuzevrijheid

De andere kennisdomeinen van het curriculum worden in het funderend onderwijs (basisonderwijs en onderbouw voortgezet onderwijs) op een andere manier aangestuurd: via globale kerndoelen. Deze algemene doelen vormen een raamwerk waarbinnen scholen veel ruimte hebben
om eigen keuzes te maken, zowel qua vorm als inhoud. Zij kunnen in grote mate zelf bepalen hoe zij leerlingen kennis bijbrengen over de wereld om hen heen en hoe zij hen voorbereiden op actief participeren in de maatschappij. Lesmethoden spelen hierbij vaak een belangrijke rol. Schoolboeken kunnen echter ook als keurslijf fungeren. Veel leraren in het basisonderwijs en in de onderbouw
voortgezet onderwijs volgen hun methode vrij precies. De gedachte dat de methode leidend is en ‘uit moet’, beïnvloedt de planning, van week tot week, tot in de dagelijkse lessen toe. Nieuwe technologieën en open leermiddelen vergroten de mogelijkheden voor leraren om zelf leermiddelen te arrangeren. Dit vraagt wel om (nieuwe) leerplankundige expertise. Ook het aanbrengen van samenhang in het curriculum over de vakken heen stelt scholen en leraren voor complexe opgaven.

Inperking

In de praktijk wordt de professionele ruimte van scholen en leraren niet altijd herkend en optimaal benut. Van autonomiebenutting lijkt men op het niveau van het primaire proces soms weinig doorgedrongen. Men ervaart een groot aantal opdrachten op het gebied van burgerschapsvorming,
bevordering van gezond gedrag, een passend aanbod voor zorgleerlingen, etc. Daarnaast is sprake van een toenemende verantwoordingsplicht rond zaken als dyslexie, discriminatie, veiligheid, schoolverzuim, pesten, agressie, geweld en seksuele weerbaarheid. De inspectie verwacht dat leraren basisonderwijs in groepsplannen aangeven hoe zij omgaan met verschillen in de groep, hoe zij leerlingen in subgroepen indelen, gedifferentieerd instructie geven en welke materialen zij daarbij gebruiken.

Professionele ruimte

De ruimte voor eigen keuzes in het curriculum wordt in alle drukte dus niet altijd gezien en genomen. Deze ruimte zou beter geregeld en gecommuniceerd kunnen worden: de professionele ruimte zou gedefinieerd, begrensd en benut moeten worden. Over welke ruimte hebben we het precies en wat verwachten we dan van scholen? Voor de basisvaardigheden (taal, rekenen) is de boodschap helder. Dat geldt in mindere mate voor de andere onderdelen van het curriculum. Wat wordt van het funderend onderwijs verwacht als het om brede vorming of de ontwikkeling van normen en waarden gaat? Hier wordt misschien wel heel veel van de professionele ruimte van scholen en leraren verwacht en worden lastige politieke discussies, met een beroep op de autonomie van scholen, bij voorkeur uit de weg gegaan. Scholen hebben echter richting nodig. Richting om vorm te geven aan een relevant, toekomstgericht en consistent leerplan.

Agendasetting

Dat betekent niet dat de ruimte zou moeten worden ingeperkt. Integendeel. Deze ruimte is hard nodig, niet alleen met het oog op de noodzakelijke variëteit in het stelsel, maar ook om aan te sluiten bij de professionaliteit van de leraar en wensen uit de lokale omgeving. Met richting geven bedoelen we in de eerste plaats ‘agendasetting’, zowel bij beleidsmakers als scholen. Het gaat eerder om de goede vragen dan om antwoorden in de vorm van regelgeving. Voor beleidsmakers is het van belang om kritisch te kijken naar de kaders die zij stellen. Hanteren we geëigende sturingsinstrumenten ten aanzien bepaalde onderdelen van het curriculum? Maar ook, stimuleert het instrumentarium scholen voldoende om daar waar ruimte is, deze ook te nemen en wordt daarbij voldoende richting gegeven?

Bron: In gesprek over funderend onderwijs