Sector
  • Po
  • Vmbo onderbouw
  • Havo onderbouw
  • Vwo onderbouw
  • Gymnasium onderbouw
Leerplankundig thema
  • 21e eeuwse vaardigheden
  • Zelfregulering
Trefwoorden
  • Zelfregulering
  • 21e eeuwse vaardigheden

Een voorbeeldmatig leerplankader

25-5-2016

Zelfregulering

Zelfregulering houdt in: zelfstandig handelen en daarvoor verantwoordelijkheid nemen in de context van een bepaalde situatie/omgeving, rekening houdend met de eigen capaciteiten. Het gaat om het heft in handen nemen en niet klakkeloos aanwijzingen of voorschriften volgen. Daarvoor is het nodig zicht te hebben op de eigen doelen, motieven en capaciteiten.

Meer specifiek gaat het bij zelfregulering om:

• het stellen van realistische doelen en prioriteiten op basis van eerdere ervaringen;
• doelgericht handelen (concentratie, zichzelf kunnen motiveren, zich kunnen richten op de uitvoering
  van een taak);
• het plannen en monitoren van het proces dat leidt tot realisatie van de doelen (planning, 
  timemanagement);
• reflecteren op het handelen en de uitvoering van de taak;
• inzicht hebben in de eigen capaciteiten en de ontwikkeling daarvan;
• verantwoordelijkheid nemen voor eigen handelen en keuzes;
• zicht hebben op consequenties van het eigen handelen voor zichzelf en voor de omgeving, voor
   zowel de korte als de lange termijn.

​Zelfregulerend leren, een verdere uitwerking

Bij zelfregulerend leren zijn metacognitieve, motivationele en strategische componenten van belang.

De metacognitieve component heeft betrekking op reflectie, het controleren en overzien van de eigen aanpak voor, tijdens en na een leeractiviteit. Daarbij wordt gebruik gemaakt van kennis over de eigen persoon, kennis over de taak en kennis over strategieën. Metacognitie heeft invloed op het vermogen het eigen leerproces te regisseren, te kunnen plannen en fouten te kunnen herstellen.

Bij de motivationele component gaat het om de interesse in de taak die uitgevoerd moet worden, initiatief, doorzettingsvermogen. Ook  de mate van zelfeffectiviteit en attributie is hier van belang (Pintrich, 2004; Winne & Perry, 2000; Zimmerman, 2000; Zimmerman & Martinez-Pons, 1988). Onder zelfeffectiviteit wordt verstaan: de ideeën en opvattingen die lerenden hebben over hun eigen vermogen om een bepaald doel te bereiken (Bandura, 1986). Attributie is het toeschrijven van succes en falen aan zichzelf, bijvoorbeeld op basis van aanleg of inspanning (interne attributie), of aan een andere oorzaak, zoals geluk hebben of een te moeilijke taak hebben (externe attributie) (Weiner, 1986).

De strategische component omvat zowel gedragsmatige als cognitieve handelingen. Het gedragsmatige verwijst naar het structureren van de omgeving zodat deze het leren optimaliseert (Zimmerman, 1990), bij cognitieve handelingen gaat het om het inzetten van leerstrategieën (Boekaerts, 1999; Winne, 2001).

Om het proces van zelfregulerend leren te beschrijven, wordt veelal uitgegaan van drie fasen: voor, tijdens en na de uitvoering van de  leertaak. Zimmermann (1998) spreekt van forethought, performance en self-reflection. In elk van die fasen spelen metacognitie, keuze van strategieën en motivatie een rol. In feite is sprake van een cyclisch proces, de uitkomsten van evaluatie en reflectie zijn input bij het oriënteren op een volgende taak.

Zelfregulering ontwikkelen

Afzonderlijke vaardigheden en strategieën kunnen aangeleerd worden, met afnemende sturing door de docent, maar het ontwikkelen van zelfregulering is meer dan het zelfstandig leren uitvoeren van een (leer)taak. Ook metacognitie en motivatie zijn hier van belang.

Een leeractiviteit is gericht op zelfregulering als er aandacht is voor het opstellen van doelen, het maken van een planning en reflectie op het proces en het eigen handelen. Daarbij wordt de leerling uitgenodigd om zichzelf ‘van een afstand’ te observeren, de observaties te duiden, deze in een concreet actieplan om te zetten en hiernaar te handelen. Het gaat dan om zelfregulering in de volle breedte, niet om het beheersen van deelaspecten.

Het is van belang dat zelfregulering wordt geleerd en geoefend in de context van reële taken. In het onderwijs betekent dit dat gebruik wordt gemaakt van leertaken die gericht zijn op (vak)specifieke kennis en vaardigheden (Jacobse, 2009). Daarnaast moeten de taken motiverend zijn. Deci en Ryan (2000) geven aan dat de motivatie van leerlingen bevorderd wordt als het onderwijs aansluit bij drie basisbehoeften: competentie, autonomie en verbondenheid. Dit vraagt om ‘open’ taken die leerlingen voldoende uitdagen zonder hen te overvragen, die ruimte bieden voor eigen keuzen en waarbij samenwerking een plaats heeft. Megacognitieve vaardigheden worden ontwikkeld als reflectie van leerlingen wordt gestimuleerd en als docenten met leerlingen in gesprek gaan over hun (leer)ervaringen en keuzen.

Zelfregulering en zelfregulerend leren zijn geen ver weg gelegen einddoelen waarnaar leerlingen hun hele schoolloopbaan op weg zijn. Ook op jonge leeftijd kan zelfregulering ontwikkeld worden. Bij jongere leerlingen zal vooral sprake zijn van zelfregulering van gedrag in de klas en van het zelfstandig uitvoeren van (leer)taken, al dan niet samen met anderen. Bij oudere leerlingen kan de zelfregulering zich ook  uitstrekken tot zelfregulerend leren, doordat metacognitieve kennis en vaardigheden dan meer ontwikkeld zijn.

ZelfreguleringDe leerling…
​VOORAF

Oriënteren

Kan een taak in verband brengen met eerdere ervaringen.
 Kan aangeven wat het belang van een taak is voor zichzelf of voor het bereiken van een bepaald doel.
​Kan de moeilijkheidsgraad van een taak of de kans op succes voor zichzelf inschatten.

Doelen stellen

Kan realistische (leer)doelen formuleren

Strategisch plannen

Kan een realistische planning opstellen om de geformuleerde (leer)doelen te bereiken
 Weet dat er verschillende (leer)strategieën zijn en kan bepalen welke strategieën passen bij de geformuleerde (leer)doelen
 Kan de (leer)omgeving structureren zodat deze het uitvoeren van de (leer)taak optimaliseert.
TIJDENS

Zelfcontrole

Kan afhankelijk van de situatie en tussenresultaten (leer)strategieën en/of doelen aanpassen om zichzelf bij te sturen.
NA

Zelfbeoordeling

Kan de eigen prestatie evalueren in relatie tot de geformuleerde (leer)doelen
 Kan de eigen aanpak toelichten en de eigen prestatie daarmee in verband brengen.
 Kan de eigen prestatie evalueren in relatie tot de eigen verwachtingen.
​Kan de eigen prestatie toeschrijven aan zichzelf en/of aan andere factoren.
Kan aangeven hoe de eigen prestatie invloed heeft op een vervolgtaak.​
Contactpersoon